Petrus Clermons
1723-1773
Oei Peter Clermons, net 50 jaar geworden. Geboren in het Limburgse Elsloo, later woonachtig in Beek, gestorven in Valkenburg. Jou levensverhaal eindigt niet zo fraai, maar gelukkig heb je toch voor nageslacht gezorgd.
Geboortenaam
Petrus Clermons
Maria Catharina Peters
Maria Elisabetha Kleermans
Mathias Klermans
Maria Beatrix Clermonts
Sebastianus Clermont
Doop datum
19-02-1723
07-10-1722
02-07-1751
28-02-1755
08-05-1760
17-08-1761
Geboorteplaats
Elsloo
Beek
Beek
Beek
Beek
Beek
Overlijdingsdatum
13-11-1773
02-08-1805
30-11-1831
12-02-1808
28-01-1843
03-05-1818
Overlijdingsplaats
Valkenburg
Beek
Beek
Beek
Beek
Beek
Getrouwd met
M.C. Peters
P. Clermons
A.C. Sporck
H. Huijts
M.C. Nicolai
Trouwdatum
12-10-1750
12-10-1750
09-02-1777
14-11-1787
..-..-....
Bijzonderheden
Twee keer getrouwd

Van deze nageslacht werden de achternamen wel in meerdere varianten geschreven, maar de doopsels werden bij de Rooms Katholieke Parochie Heilige Martinus van Beek goed en duidelijk genoteerd. Zolang zij de namen wisten, werden ze genoteerd.
Op een gure late avond eind september 1773 te Beek
De wind huilt langs de dakpannen en de regen slaat tegen de luiken van de herberg. Binnen is het warm, maar de sfeer is gespannen. In de hoek, bij de haard, buigen twee mannen zich dichter naar elkaar toe, de stemmen gedempt maar geladen met opwinding.
Jan:
"Hebde 't al gehoord, Willem? Ze hebben 'm gepakt. Gisteravond, vlak bij de Spaubeekse bossen. Ze zeggen... dat hij een bokkenrijder is."
Willem:
"Nee, toch? Wie dan? Zeg me niet... niet 't Fijnwerk?!"
Jan:
"De schout zelf heeft 'm meegepakt. Met z'n hand nog aan het zadel, zeggen ze. En er zouden klauwen aan dat beest gezeten hebben, geen hoeven."
Willem:
"Dat geloof jij toch zeker zelf niet, Jan. Klauwen? Dat is kermispraat.
Die man heeft vier kinderen thuis en komt elke zondag in de kerk."
Jan (fluisterend):
"En toch... er zijn nachten geweest dat er licht boven de velden hing, alsof de maan zelf zich verscholen had. En ge weet wat men zegt: de bokkenrijders zweven over de daken als schaduwen. Niemand hoort ze. Niemand ziet ze. Behalve... als het te laat is."
Willem:
"Ik weet niet wat ik erger vind: dat ze hem misschien vals beschuldigen... of dat het waar is. Wat als er meer zijn in ons midden?"
De herberg wordt stil. Alleen het geknetter van het vuur durft nog te spreken. Buiten fluit de wind een toon van onheil, en binnen verspreidt het gerucht zich verder—als rook onder een deur, onstuitbaar en verstikkend.
Het is voor te stellen dat er zo gefluisterd werd. En het is waar. Peter Clermond uit Beek is in september 1773 opgepakt omdat hij zou behoren tot een bende dieven, beter bekend als Bokkenrijders.
Vonnissen, verhoren, verslagen, gerechtelijke uitspraken, het is allemaal te vinden in het archief, dus ik ben er in gedoken. Wat is er in hemelsnaam gebeurd 250 jaar geleden?
Peter Clermond, bijnaam 't Fijnwerk. Ook genoemd als tapper en voerman. Bezat ruim drie bunder land.
Zou zijn bijnaam te danken hebben aan zijn vakmanschap.
Werd in september 1773 gearresteerd nadat hij door Dirk Hersseler beschuldigd werd van deelname aan een overval in Höngen (bij Nieuwstadt) en op de pastorie van Hoengen (bij Alsdorf), in 1760 en 1770 respectievelijk. Peter Clermond werd in die tijd opgepakt omdat hij zou behoren tot een bende Gauwdieven en Boosdoeners, oftewel de Bokkenrijders.
In de gevangenis werd hij stevig aan de tand gevoeld. Ook volgde er een confrontatie met onder meer mede-gevangene Geerke Stijnen en dat betekent dat die hem ook beschuldigd hadden (onder foltering).
Foltering/marteling die hij zelf ook moest ondergaan. Voor het eerst op 14 oktober 1773.
Dat werd gestaakt op last van de landsdoctor tot de beklaagde weer op krachten zou zijn gekomen.
Dat werd een week later, waarbij hij nog steeds bleef ontkennen.
Hierna werd hij in de zwaarste graad gemarteld, met goedvinden van de landsdoctor werd hij aan
de stroppade met 25 ponden gewicht gebonden zodanig dat hij na
ongeveer twee uur bewusteloos raakte.
Met goedvinden van de chirurgijn werd verdere tortuur gestaakt. Daarna heeft
hij nog drie weken geleefd en is 13 november 1773 in de gevangenis in
Valkenburg gestorven. Het moet een langdurige lijden zijn geweest.
Peter Clermond heeft overigens nooit bekend.

Dat is niet zo fraai. Ook niet voor zijn vrouw en kinderen.
Vader meegenomen in september en in november zien ze een aankondiging op een plakaat.

Zijn lijk werd door de schutten van Beek afgehaald en later door de vilder per kar vervoerd naar de plaats van justitie op de Graetheide en daar onder de galg begraven. Dit is vandaag de dag ongeveer waar het DSM-terrein grenst aan het snelweg-knooppunt Kerensheide.
De vonnissen hielden meer in dan alleen lijfelijke bestraffingen De executies waren spektakelstukken gericht op maximale vernedering en schande.
Het bezit van de veroordeelden werd in beslag genomen.
De weduwen en wezen moesten dus verder met helemaal niets.
Kinderen achterlatend in de leeftijd van 22, 18, 13 en 12 jaar.
De rol van de burgemeester
Opmerkelijk is dat kort voor Peter’s arrestatie burgemeester Bausch – zijn buurman, slechts twee huizen verderop – de opdracht kreeg om een inventaris op te stellen van Peters bezittingen. Wat er met die lijst gebeurde is onduidelijk. Peter bleef volgens justitie ‘bezitloos’.
Wist de burgemeester meer? Waarschuwde hij het gezin of werd er iets doelbewust verzwegen?
Confrontatie
Op 15 oktober 1773 werden twee gedetineerden tegenover elkaar gezet.:
Gerrit Steijnen uit Neerbeek en Peter Clermond uit Beek
Deze vond plaats op het Landshuis van Valkenburg en werd ingesteld in het kader van een onderzoek naar betrokkenheid bij de beruchte Bokkenrijdersbende. Dit noemden ze een zogenaamde confrontatie.
De heren werden tegenover elkaar gezet om te antwoorden op vijf specifieke vragen, gericht op hun relatie tot elkaar en hun vermeende deelname aan misdaden als diefstal en huisbraak. De antwoorden werden schriftelijk vastgelegd.
Gerrit Steijnen
De Vragen en Antwoorden uit de Confrontatie
1. Kenden de verdachten elkaar, en zo ja, hoe lang al?
Peter Clermond
Gerrit Steijnen verklaarde dat hij Peter Clermond al vele jaren kende en hem kende als Pieter, wonende te Beek.
Peter Clermond bevestigde dat hij Gerrit
(hij noemde hem Geerke) al vijftien jaar kende.
2. Was er sprake van vijandschap tussen hen?
Beiden ontkenden ooit vijandigheid jegens elkaar te hebben gehad.
3. Waren zij samen lid van een bende gauwdieven?
Steijnen beweerde dat hij samen met Clermond op dievenpad was geweest, al zou hij niet geweten hebben dat Clermond tot een georganiseerde bende behoorde.
Clermond ontkende iedere betrokkenheid bij enige bende of diefstal.
4. Waren ze samen schuldig aan misdrijven zoals huisbraak en diefstal?
Clermond bleef ontkennen.
Steijnen bevestigde dit.
5. Aan welke specifieke misdrijven zouden ze samen hebben deelgenomen?
Steijnen verklaarde dat Clermond met hem had meegedaan aan een gewapende diefstal bij een zekere Walraeven, en later bij een overval op het huis van Campo bij het Nieuwhuis.
Clermond antwoordde dat hij daar nooit bij was geweest, laat staan had gestolen.
Peter Clermond weigerde het document ook te ondertekenen, Gerrit Steijnen deed dat wel (met een kruisje)
Nooit bekend. In de weken dat hij in Valkenburg zat had Peter Clermond telkenmale aangegeven nergens bij geweest te zijn. Helaas stierf hij toch op 50-jarige leeftijd in het Landshuis aan de Grotestraat in Valkenburg. Niet door ouderdom of ziekte, maar als gevolg van martelingen in vochtige, houten cachotten — tijdens ondervragingen die weken aanhielden.
Ondervragingen met het enige doel tot bekennen over te gaan. Bekennen deed hij. Het stelen van vruchten op een veld. Maar dat was niet wat ze wilden horen, al hebben ze deze ‘bekentenis’ wel gebruikt bij de veroordeling. Het vonnis werd uitgesproken tegen zijn lijk.
Niet alleen voor, maar ook ná zijn overlijden werd zijn naam genoemd.
Na onderzoek is duidelijk dat zijn naam in ieder geval werd genoemd bij de volgende overvallen:
-
Bij pastoor Grevenbicht
-
Bij Walraeven aan de Maasbandt
-
Bij Campo
-
In Höngen (Duitsland)
-
Bij pastoor Hoengen
-
In Havert (Selfkant, Duitsland)
-
Immendorf (Duitsland)
-
Bij weduwe Robroks aan de Laek in Maaseijk
Maar tijdens zijn ondervragingen kwamen slechts drie delicten ter sprake: Höngen, Hoengen en Campo.
Hieronder een overzicht van de betreffende overvallen.
29 januari 1751 Pastorie te Grevenbicht beschuldiging door Andries Stijnen
Een hardhandige overval waarbij de pastoor het leven liet. Voor het eerst bekend in maart 1751 door een zwerver die verder overigens niets met de nachtbende te maken had. Toch vond justitie het nodig om juist deze overval wel bij de processen te voegen. Volgens die zwerver waren er een man of tien bij deze overval aanwezig.
22 jaar later werd er door Andries Stijnen 40 andere namen genoemd bij deze overval waaronder die van Peter Clermond.
23 augustus 1756 Peter Walraeven aan de Maasbandt beschuldiging door Andries Stijnen
Een overval waarbij de heer Walraeven en zijn vrouw vastgebonden werden. Volgens hem werd geld en vooral zilveren dingen meegenomen: o.a. silvere sakhorlogie, schoengaspen, schael, bel, met fleut voor de kinderen, het nieuw testament, silvere haeken, meest mans hemdens, toeback, 3 silvere hemsknoopen, 2 silvere snuyffdoosen.
De overval in Campo (bij Nicolaas A Campo) beschuldiging door Geerke Stijnen
Deze overval is erg bijzonder. Met een zéér gedetailleerd verslag bekend, noemde ook andere namen. Deze zijn ook opgepakt. Meerdere bekennen eraan meegedaan te hebben en noemen ook weer nieuwe namen.
Maar in december 1773 bleek na onderzoek dat deze overval nooit plaats heeft gevonden. Nicolaas Campo zelf wist
van niks, zijn kinderen wisten er niets van. Buurtbewoners zeiden ook niets gehoord of gezien te hebben.
Een wanhopig verzonnen verhaal waardoor vele verdachten zijn gestorven (opgehangen).
Höngen (ambt Höngen in Millen te Duitsland) en Hoengen (een pastoor in het plaatsje Houthem)
Höngen en Hoengen lijken erg op elkaar en inmiddels neemt men ook aan dat hier toen verwarring over was.
De laatste werd maar zelden genoemd en na 1773 verdween deze ook uit de beschuldigingen. De overval in Millen is dan weer 4 uur lopen van Peter Clermonds huis. Zou hij hier bij zijn geweest?
13 september 1770 Huis Steyntjes te Havert (Duitsland) beschuldigingen Matthijs Smeets en Dirk Hersseler
Hier heeft een stiekeme inbraak plaatsgevonden. De bewoonster ontdekte het pas de ochtend nadien.
Echter kreeg deze misdaad de allure van een overval als “den geweldigen of violanten diefstal te Havert” zoals het in processen voorkomt. Mid 1773 door iemand bekend en noemde hierbij 47 namen + nog meer die hij niet bij naam kon.
20 september 1770 Weduwe Janssen te Immendorf (Duitsland) beschuldiging door Dirk Hersseler
Nachtelijke inbraak waarbij de bewoonster niet wakker is geworden. Hetgeen wat meegenomen is zou door 1 man gedaan kunnen zijn. Een kruimeldiefstal. Toch ook genoemd tijdens vele bokkerijderprocessen.
Ook bij onze voorouder, al is deze locatie 7 uur lopen vanuit zijn huis. Dus 7 uur heen, over het glooiende, heuvelachtige Limburg – overval plegen – 7 uur terug lopen naar zijn huis in Beek. Of zaten ze toch op die geitenbok?
Omstr. maart 1772 Weduwe Robroks op de Laek beschuldiging door Matthijs Smeets
Een enkeling die hier over sprak. Matthijs Smeets begon er over tijdens verhoor. Een overval waarbij volgens de verklaring 44 anderen betrokken zouden zijn geweest. Bewapend met stokken, reeken en een stuk of 6 snaphaenen. Al hadden ze die niet gebruikt. Gat in de muur gemaakt met een ploegkouter. 1 man naar binnen. Deur open gemaakt voor een paar anderen en ze hebben alle vind en draagbare zaken meegenomen. Matthijs Smeets kreeg 1 schilling voor zijn aandeel. Hijzelf en Peter stonden een eindje van het huis af op wacht met een stok in de hand.
Aldus de verklaringen.
Dus in een tijdsbestek van 21 jaar zou Peter meerdere overvallen hebben gepleegd, waarbij sommige een halve dag of nacht lopen is en andere achteraf nooit plaats hadden gevonden.
Bijzonder.
En let wel, in sommige verklaringen noemde de ondervraagde een lijst van vele namen en moest de verdachte alleen maar ja of nee zeggen of ze bij die betreffende overval aanwezig waren.
Onder druk en helse pijnen. Ik vermoed dat ze dan heel graag en vol overtuiging ja zeggen.
Peter Clermond was geboren in heerlijkheid Elsloo en wel in het gehucht Kleine Meers. Meers, mersch, marsch betekend letterlijk: land aan water, door water omgeven weiland, beemd of moeras. De plaats is gelegen op de oostelijke oever van de Maas die met een bocht om het dorp Meers loopt. Begin 18e eeuw liep de Maas wel wat rechter al veranderde de koers van de Maas in die tijd nogal eens. Zoals in 1727 wanneer men het volgende optekent:
het dorp Cleene Meers soe op Elsloer als deels Steynder jurisdictie was by naer totaelyck door de Maese geruineerd. honderde morgens vaste erven syn affgedreven dat Cleene Meers voor een groot gedeelte door het veranderen van de cours van de Maese is worden afgespoeld ende aangedreven aan de Heerlykheid van Rekem.
De heerlijkheid Reckheim (België) lag aan de andere oever van de Maas.
Waar ligt Kleine Meers precies?
In de historie zijn er wel wat naamswijzigingen en naamsverwarringen geweest, maar onze roots liggen in het gebied wat vandaag de dag links van de Lindendriesstraat te Stein ligt. Over deze kaarsrechte weg liep de grens tussen Stein en Elsloo. De inwoners van Kleine Meers leefde in hoofdzaak van de opbrengst van het wei-en hooiland, mandenvlechten en visvangst.
Na hun huwelijk en vóór de geboorte van hun eerst kind verhuisden Peter Clermond en zijn vrouw naar dier geboortedorp Beek. Hiermee kwam een einde aan de stappen van onze voorouders in Elsloo.
Kurvemaker
Je had het eerder al gelezen. De bijnaam van Peter Clermonts was 't Fijnwerk.
Peter Clermonts' beroep was namelijk kurvemaker. Af en toe klinkt het Limburgs door in de Hollandse taal van het gerecht.
Een mand of een korf is in de streektaal een koorf, meervoud keurf. Hij maakt dus manden en korven en daar kreeg hij ook zijn bijnaam ’t Fijnwerk vandaan, want hij was een groot vakman die hele mooie witte manden en korven maakte. Hij leverde fijn werk.
Korven die gevlochten werden dienden onder meer voor het vangen en bewaren van vis.
De aalkorf diende zowel als bewaarmand als voor de vangst van aal. Daarnaast waren er onder meer hengsel, hand en waskorven.
Ook waren er korfmakers die grote korven vervaardigden. Zij werden met zand, grond, grind of fijn puin gevuld en dienden ter versterking van de schansen.

Grootgrondbezitter
In het najaar van 1773 stond Peter Clermond in Valkenburg te boek als bezitloos.
Toch tonen archiefvondsten een ander beeld: dat van een vernuftige mandenmaker én grondbezitter, die zich over een periode van twintig jaar een aanzienlijk stuk land wist toe te eigenen in en rond Beek.
Dit roept vragen op over zijn vermeende criminele karakter en over de rol van het lokale bestuur in zijn uiteindelijke ondergang.
Grondverwervingen en verbintenissen (chronologisch overzicht)
-
1752 – Peter trouwt en vestigt zich in Beek.
-
1753–1772 – Aankoop van meerdere akkers in:
-
Kleine Meers
-
Overste Veld
-
Beeker Heijdenvelt
-
Molenberg
-
-
Rond 1760 – Bouw van een huis aan Achter de Kerk, waar hij met zijn gezin gaat wonen.
-
Datum onbekend – Koopt een stuk land van graaf Maximiliaan de Belderbusch, kasteelheer op Terworm.
-
Begin 1771 – Leent 500 gulden van drie predikantsdochters. Gebruikt dit o.a. voor een akker in Putbroek (met zijn huis als onderpand).
-
13 maart 1771 – Verkoopt grond in Elsloo aan zijn broer Michael, incl. huis, moeshof, weiden, paarden, en uitrusting.
-
19 oktober 1771 – Lening overgezet op naam van Mattijs Stijnen. De schuld wordt afgelost.
-
Augustus 1772 – Verkrijgt via erfenis van schoonbroer Hendricus Peters:
-
¼ huis
-
Weide
-
7 stukken land
-
Samen: ca. 755 kleine roeden (bijna 2 bunder).
-
In totaal verwierf Peter minimaal 3,375 hectare aan grond, verdeeld over Beek en omgeving.
Deze gegevens tonen een Peter Clermond die zich meer met grondzaken dan met rooftochten bezighield. Misschien was hij niet de bokkenrijder die de rechtbank in hem zag, maar een ondernemende man die zijn bezit – en zijn leven – verloor in een tijd waarin bezit, macht en reputatie kwetsbaar waren.
Voor de lezer met oog voor detail. 19 oktober 1771 wordt een lening overgezet naar Mattijs Stijnen.
Deze Mattijs komt uit Neerbeek en was de broer van Geerke Stijnen.
Precies degene die Peter's naam genoemd had als medeplichtige bokkerijder.
Toeval?

