Wilhelmus Hubertus Clermonts
1822-1910

Deze pagina is gewijd aan Wilhelmus Hubertus Clermonts.
Bij zijn geboorte werd hij ingeschreven als Wilhelmus Lubertus Clermonts, vermoedelijk een schrijffout.
Hij werd geboren in Maastricht, in de Hoenderstraat. Na een hectische militaire carrière
ontmoette hij Maria Catharina IJzermans, afkomstig uit Heer - destijds nog een zelfstandig dorp nu een stadswijk van Maastricht.
Samen traden zij in het huwelijk en vormden het gezin dat hieronder wordt weergegeven.
Geboortenaam
Wilhelmus Hubertus Clermonts
Maria Catharina IJzermans
Maria Catharina Gertrudis Clermonts
Elisabeth Clermonts
Maria Sophia Clermonts
Cornelia Clermonts
Pieter Willem Clermonts
Wilhelmus Franciscus Clermonts
Wilhelmus Joannes Clermonts
N.N. Clermonts
Geboortedatum
11-12-1822
18-08-1830
06-10-1858
06-10-1858
10-02-1861
12-03-1863
20-07-1865
17-04-1868
27-04-1871
21-03-1876
Geboorteplaats
Maastricht
Heer
Maastricht
Maastricht
Maastricht
Maastricht
Maastricht
Maastricht
Maastricht
Maastricht
Overlijdingsdatum
02-04-1910
29-11-1909
21-11-1929
29-11-1858
30-12-1863
20-11-1939
..-..-....
11-02-1945
20-09-1871
21-03-1876
Overlijdingsplaats
Maastricht
Maastricht
Maastricht
Maastricht
Maastricht
Maastricht
................
Eindhoven
Maastricht
Maastricht
Getrouwd met
M.C. IJzermans
W.H. Clermonts
P. Misere
H.A.A. Coumans
A. van der Wouij
M.L. Meys
M. Smit
Trouwdatum
26-05-1858
26-05-1858
18-03-1901
02-03-1921
23-12-1885
25-11-1891
30-08-1893
Bijzonderheden
Sint Matthias Parochie
Tweeling
Tweeling - 1 maand oud geworden
35 maanden oud geworden
5 maanden oud geworden
Levensloos geboren
Moeilijke omstandigheden
Het gezin Clermonts kende geen gemakkelijk bestaan.
Wilhelmus Hubertus en Maria Catharina kregen samen acht kinderen, maar het geluk was hen niet goedgezind: 1 kindje werd levensloos geboren, van de overige kinderen stierven er 3 op zéér jonge leeftijd.
Het huwelijk vond plaats in een periode van financiële moeilijkheden.
Op 26 mei 1858 traden zij in het huwelijk, na een korte periode van formele voorbereidingen en aankondigingen op 25 april en 2 mei 1858.
Ze hadden wellicht haast.
De 27-jarige Maria was namelijk al vier maanden zwanger toen zij en de
35-jarige Wilhelmus in de Sint Matthiaskerk te Maastricht in het
huwelijk traden.
Zwanger van wat later bleek een tweeling.
Geld voor hun trouwen hadden ze niet.
Beide werden officieel aangemerkt als
zijnde in een behoeftige toestand,
vastgelegd in een attest van on-
vermogen.
Dit attest was noodzakelijk om het
huwelijk te kunnen sluiten en
bevestigde dat zij financieel niet in
staat waren belasting te betalen.

Maar eerst terug naar de Hoenderstraat, een steegje in het centrum van Maastricht, tussen de Markt en de Maas.
Hier werd Wilhelmus Hubertus Clermonts geboren. Nog vóór hij vier jaar oud was, verhuisde hij met zijn ouders naar de
Bonnefantenplaats – vermoedelijk de huidige Bonnefantenstraat.
Over zijn jeugd is verder niets bekend, totdat hij in militaire dienst treedt.
Militaire dienst
In de 19e eeuw kende Nederland een dienstplichtsysteem op basis van loting.
Hiermee werd het staande leger jaarlijks aangevuld met jonge mannen uit de burgerbevolking.
Elk jaar werd een lichting opgeroepen: mannen die dat jaar 19 jaar werden. Zij moesten deelnemen aan de loting, die
meestal openbaar gebeurde, onder toezicht van lokale autoriteiten.
Elke loteling trok een nummer. Wie een laag nummer trok, werd meestal opgeroepen voor dienst.
Een hoog nummer betekende doorgaans vrijstelling, tenzij er te weinig miliciens waren. In een grote stad als Maastricht waren veel lotingnummers, dus was het lage nummer relatief hoog.
Op 2 juli 1841 werd Wilhelmus Hubertus loteling met nummer 44 uit de lichting
van 1841 in Maastricht, toen nog deel van het hertogdom Limburg,
ingedeeld als milicien in de reserve bij het 7e Regiment Infanterie.
De diensttijd bedroeg standaard vijf jaar. Hij werd op 25 mei 1842
daadwerkelijk opgeroepen voor actieve dienst.
Korte tijd later, op 17 juni 1842, trad hij vrijwillig in vaste dienst voor
een periode van 6 jaar en 14 dagen, volgens artikel 171 van de Wet
op de Militie en ontving daarvoor een gratificatie van 20 gulden.
Dat was een mooie bonus.
Hoe verging het hem?
Aangezigt
Voorhoofd
Oogen
Neus
Mond
Kin
Haar
Wenkbraauwen
Merkbaare tekenen
Bij zijne aankomst bij het korps
Lang
Ovaal
Laag
Blaauw
Breed
Groot
Rond
Rosachtig
Idem
Geen
1 ellen = 1 meter
7 palmen = 7 decimeter
1 duimen = 1 centimeter
5 strepen = 5 millimeter
Totaal lengte 171,5 cm
Militaire carriere
17 juni 1842 - 26 juli 1845
7e regiment Infanterie
De eerste fase. Militair te voet bij het 7e Regiment. Het is niet bekend waar hij gestationeerd was. Kan vestingstad Maastricht zijn met de strategische ligging vlak bij de Belgische grens, maar kan ook zijn dat het regiment verplaatsingen had naar andere delen van Nederland.
26 juli 1845 - 12 juni 1846
Grenadiers en Jagers

Na zijn tijd bij het 7e Regiment Infanterie werd Wilhelmus Hubertus op 26 juli 1845 overgeplaatst naar het Regiment Grenadiers en Jagers. De reden voor zijn overplaatsing was dat hij "behendigheid aan de dag had gelegd" en beloofd had een goede schutter te worden. Dit gaf aan dat hij al ervaring had met het hanteren van een schietgeweer en zich goed kon voorbereiden op het schijfschieten.
Bij zijn overplaatsing werd hij meteen in de 2e klasse van het schijfschieten geplaatst, wat zijn goede vaardigheden met vuurwapens bevestigde.
Zijn periode bij de Grenadiers en Jagers duurde tot 10 maart 1846, toen hij, volgens een instructie van het D.V.O. van 18 april 1836, als milicien werd geroyeerd. Dit betekende dat hij uit de reguliere dienst werd ontslagen en als vrijwilliger werd aangemerkt, mogelijk omdat hij zich had bewezen en zich beschikbaar stelde voor verdere dienst. Hierbij zat hij overigens nog steeds als grenadier bij de 2e compagnie van het 2e bataljon.
12 juni 1846 - 01 oktober 1848
Krijgsraad
Op 12 juni 1846 nam de 23-jarige soldaat Wilhelmus Hubertus Clermonts een besluit dat zijn militaire loopbaan zou tekenen: hij verliet zonder toestemming zijn eenheid bij het Regiment Grenadiers en Jagers. Officieel gold dit als desertie — een ernstige misdaad binnen de krijgstucht, zelfs in vredestijd.
Hij vertrok vanuit het garnizoen in Den Haag, naar eigen zeggen om enkele dagen naar Amsterdam te gaan.
De werkelijkheid haalde hem snel in. Op 13 juni werd hij in Leiden gearresteerd, en een dag later voorgeleid aan de Krijgsraad in ’s-Gravenhage. Daar legde hij zonder verzet een volledige bekentenis af.
Hoewel zijn actie niet te tolereren was, achtte de krijgsraad zijn vrijwillige terugkeer niet onwaarschijnlijk. Er werd rekening gehouden met verzachtende omstandigheden en oprechte intenties, wat tot een relatief mild oordeel leidde.
Toch bleef straf niet uit: Wilhelmus werd voor het front van zijn eenheid publiekelijk vernederd door het verlies van zijn kokarde — het ronde insigne op zijn uniform dat stond voor eer en verbondenheid met het regiment. Daarnaast kreeg hij acht dagen detentie, waarvan de eerste drie en laatste drie op water en brood, geketend aan één hand en voet.
Na deze afstraffing bleef het stil rondom Wilhelmus. Pas in oktober 1846 leek zich een nieuwe kans aan te dienen — een onverwachte uitweg uit zijn benarde positie.
01 oktober 1848 - 24 januari 1849
Reis naar de Oost
Rijksoorlogsschip (Fregat) Prins van Oranje
Zijn toekomst leek onzeker. Maar in oktober 1846 bood zich een nieuwe kans aan — al was het er een met een harde prijs.
Wilhelmus Hubertus kreeg de mogelijkheid om te dienen bij het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL). In 1849 stond een derde strafexpeditie naar het vorstendom op het eiland Bali gepland, nadat eerdere militaire acties mislukt waren. Waar beroepsmilitairen zich in eerste instantie nog vrijwillig meldden, droogde de animo inmiddels op. De verhalen over de ondraaglijke hitte, ziekten, culturele verschillen en dodelijke gevechten met onbekende tactieken hadden hun werk gedaan.
Om het gezichtsverlies van het KNIL en de koloniale overheid recht te zetten, moesten er mankrachten komen — tegen elke prijs. Veroordeelde militairen zoals Wilhelmus hadden weinig keuze. Hij kreeg een handgeld van fl. 10,- en werd op 6 oktober 1848 ingescheept naar het Nieuwe Diep in Den Helder. Op 8 oktober ging hij aan boord van het rijks-oorlogsschip Prins van Oranje, met bestemming Oost-Indië.
De opvarenden vormden een gemêleerd gezelschap. Zeelieden en militairen. Voor de lagere rangen waren de leefomstandigheden op zee bijzonder zwaar. Terwijl officieren de beschikking hadden over aparte hutten, moest de bemanning plaats zien te vinden voor de grote mast, in het ruim van het schip. In deze krappe, donkere en slecht geventileerde ruimte hingen de hangmatten van zeildoek, met daarin een matras, een hoofdkussen en een deken, dicht naast elkaar. Frisse lucht kwam binnen door de geschutspoorten en luiken, maar met slecht weer werden deze gesloten. Dergelijke omstandigheden waren een ideale bron voor het ontstaan van allerlei ziekten. Daarnaast heersten aan boord toch al vaak ziektes als malaria, beriberi, verkoudheid, longontsteking en scheurbuik.
24 januari 1849 meerde het schip aan op Batavia (tegenwoordig Jakarta).
24 januari 1849 - 12 mei 1849
Veldtocht op Bali

Op 24 januari 1849, kort na aankomst in Batavia, werd Wilhelmus Hubertus Clermonts ingedeeld bij het korps Sappeurs, als sappeur eerste klasse.
Een opmerkelijke overstap, maar niet ondenkbaar. Sappeurs stonden bekend
als technische soldaten — grondwerkers, bijlemannen, pioniers —
die bruggen aanlegden, obstakels opruimden en doorgangen forceerden.
Met zijn afkomst uit het Limburgse land, waar de mijnbouw
nooit ver weg was, lag deze taak mogelijk binnen zijn bereik en ervaring.
De rust in Batavia duurde echter niet lang.
Op 16 februari werd hij overgeplaatst naar het 13e Bataljon Infanterie,
waarschijnlijk vanwege zijn bewezen schietvaardigheid.
Dit bataljon stond op het punt ingezet te worden in een nieuwe, grootschalige
expeditie naar Bali — de Derde Expeditie, bedoeld om het verzet van de Balinese vorsten definitief te breken.
Begin april 1849 voer het 13e Bataljon vanuit Batavia naar het noordelijke Bleling op Bali. Van daaruit marcheerden ze zuidwaarts naar Djaga Raga, een goed verdedigde stelling in het Balinese binnenland. Wilhelmus en zijn medesoldaten stonden in de voorste linies. De sappeurs zorgden voor het verwijderen van versperringen, de infanterie voor de frontale aanvallen.
De veldtocht was zwaar en bloedig. Bij Djaga Raga liepen de Nederlandse troepen in een hinderlaag. Het 13e Bataljon leed zware verliezen. Toch hield het stand. Door gezamenlijke aanvallen en met bewonderenswaardige discipline wisten ze de stelling alsnog in te nemen. De overwinning werd behaald tegen een hoge prijs.
Na Djaga Raga volgde een terugtocht naar Bleling, om daar op adem te komen en zich voor te bereiden op een nieuwe aanval, deze keer op het zuidelijke Klongkong. De omstandigheden verergerden met de dag: tropenziekten, uitputting, en het gevecht tegen zowel de vijand als de elementen eisten hun tol.
Op 12 mei 1849 landden de troepen bij Padang Cove (Padangbai), waarna op 24 mei de opmars naar Klongkong begon. Het was een tocht vol tegenstand, door onbegaanbaar terrein en tegen een fel verzet van de Balinese strijdkrachten. In Kusamba werden hevige gevechten geleverd, waarna de uitgeputte troepen zich uiteindelijk moesten terugtrekken. In die nacht verloor het leger een geliefd generaal, wat het moreel verder deed kelderen.
Maar de strijd was nog niet gestreden.

12 mei 1849 -10 augustus 1851
De weg naar heldendom
.png)
Aanval Djaga-Raga op 15-16 April 1849 Rijksmuseum Amsterdam
Na korte tijd van herstel begon het leger op 9 juni 1849 aan een tweede poging om Klongkong te bereiken. Wilhelmus, met het 13e Bataljon, marcheerde opnieuw via Kusamba, dit keer in een grootschaliger opstelling, ondersteund door schepen voor kustbombardementen. Deze keer verliep de tocht zonder tegenstand. De vijand had zich teruggetrokken.
In Klongkong werd duidelijk dat het Balinese verzet gebroken was. Volgens berichten stonden er maar liefst 33.000 bewapende mannen paraat, maar zij verklaarden zich bereid tot vrede. Het Nederlands gezag werd erkend, het eiland Bali officieel toegevoegd aan Nederlands-Indië.
Op 25 juni keerde Wilhelmus terug in Batavia. Zijn eenheid werd met trots ontvangen. Een saluut van 21 kanonschoten begeleidde hun aankomst en op het Waterloo-plein werd een groot feest georganiseerd door de burgerij van Batavia. De troepen werden als helden onthaald — hun zware strijd, hun discipline en hun opoffering hadden de eer van de Nederlandse vlag in de Oost gered.
Voor Wilhelmus brak een nieuwe fase aan. De grote veldtocht was achter de rug. Tussen juli 1849 en augustus 1851 lijkt zijn leven in rustiger vaarwater te zijn gekomen. Er zijn geen aanwijzingen voor verdere veldtochten in deze periode. Mogelijk vond hij enige regelmaat in garnizoensdiensten in of rond Batavia — een wereld van verschil met de verschrikkingen van de Balinese oorlog.
Of hij deze periode ervoer als rust, als herstel of als stilte na de storm, is niet bekend.
10 augustus 1851 - 21 september 1854
Ziekenoppasser
Op 10 augustus 1851 werd Wilhelmus overgeplaatst naar het 7e Bataljon Infanterie in Palembang, op het eiland Sumatra. Maar al acht dagen later kreeg hij een heel andere taak toebedeeld: hij werd aangesteld als ziekenoppasser bij de hospitaaldienst van het garnizoensbataljon. Waarschijnlijk bleef hij in Palembang, al is dat niet met zekerheid te zeggen.
Hiermee verschoof zijn rol van frontsoldaat naar verzorgende taken, al bleek dit geen gemakkelijke overgang.
Dat blijkt tenminste uit de rapporten van zijn gedrag in deze periode. Binnen enkele maanden raakte hij namelijk tweemaal in conflict met zijn superieuren:
-
12 december 1851 – Tijdens een nachtdienst als ziekenoppasser werd Wilhelmus betrapt op overmatig alcoholgebruik. Zijn gedrag verstoorde de rust in het hospitaal, en de gevolgen waren ernstig. Hij werd veroordeeld tot acht dagen cachot – een zware straf waarbij hij om de dag enkel brood en water kreeg en met geboeide handen opgesloten zat.
-
10 mei 1852 – Enkele maanden later volgde een tweede incident. Tijdens een meningsverschil met de hospitaalmeester gebruikte Wilhelmus onvriendelijke taal. Aanleiding was zijn voorstel om bepaalde soldaten op te nemen in het hospitaal die daar, volgens de regels, niet thuishoorden. Dit leidde tot vier dagen opsluiting in de politiekamer.
In oktober 1853 sloeg het noodlot toe. Bij Wilhelmus werd een ernstige aandoening vastgesteld: een onvolkomen halfzijdige verlamming aan zijn linkerzijde. Hoewel de artsen vaststelden dat dit mankement was ontstaan tijdens zijn militaire dienst, werd het niet erkend als gevolg van actieve gevechtshandelingen. Dit had grote gevolgen: hij kwam niet in aanmerking voor een militaire uitkering, ondanks zijn aantoonbare gebreken.
Zijn toestand verslechterde. In 1854 werd hij opgenomen in het hospitaal van Sambas (Borneo) en later overgebracht naar het grotere militaire hospitaal in Weltevreden, een Europees georiënteerde wijk in Batavia. De diagnose was duidelijk: Wilhelmus was ongeschikt voor verdere dienst.
Op 21 september 1854 werd dit officieel vastgesteld. Wilhelmus kreeg een paspoort voor zijn terugkeer naar Nederland.
21 september 1854 - 21 april 1855
Ontslag en terugkeer

Op 6 oktober 1854 werd Wilhelmus officieel ongeschikt verklaard voor verdere dienst. Hem werd dispensatie verleend en het paspoort voor terugkeer naar Nederland uitgereikt.
Op 21 oktober 1854 vertrok hij met het schip de Zeevaart richting Nederland, vanwege zijn lichamelijke gebreken. De reis duurde ruim vier en een halve maand; op 4 maart 1855 meerde het schip aan in het Nieuwe Diep (Den Helder).
Na aankomst werd Wilhelmus opgenomen bij het Koloniaal Werfdepot in Harderwijk, in afwachting van zijn formele ontslag. Op 21 april 1855 ontving hij zijn paspoort naar huis, samen met een gratificatie van ƒ 108,—.
Al was Wilhelmus slechts 32 jaar, dit was het einde van een lange militaire loopbaan.
Als erkenning voor zijn dienst ontving hij verschillende onderscheidingen:
-
De Bronzen Medaille voor Trouwe Dienst (zonder gratificatie)
-
Twee expeditiekruisen: voor zijn deelname aan de derde expeditie op Bali (1849) en de krijgsverrichtingen op Borneo (1851–1853)
Deze decoraties vormden de tastbare herinnering aan jaren van strijd, discipline en ontberingen.
01 december 1855 - 25 februari 1871
Brieven naar de Koning
Na zijn terugkeer uit Nederlands-Indië en het einde van zijn militaire loopbaan in 1855, werd Wilhelmus Hubertus Clermonts geconfronteerd met een harde realiteit: geen inkomen, een verslechterende gezondheidstoestand en geen enkel perspectief op verbetering.
Zijn linkerlichaamshelft was gedeeltelijk verlamd — een aandoening die tijdens zijn diensttijd was ontstaan — maar officieel niet werd erkend als dienstgerelateerd. Daarmee verloor hij elk recht op een militair pensioen.
Met hulp van anderen — want schrijven kon hij zelf niet — richtte hij zich in een reeks brieven tot de hoogste macht in het land: de koning.
Tussen 1855 en 1871 stuurde Wilhelmus minstens negen brieven aan Zijne Majesteit Koning Willem III, waarvan zes brieven nog terug te vinden zijn in het Nationaal Archief te Den Haag.
De toon van zijn brieven was steeds even nederig als wanhopig. Hij smeekte om een jaarlijks pensioen, of ten minste een eenmalige gratificatie. Zijn argumenten werden kracht bijgezet door verklaringen van onvermogen, opgesteld door de burgemeester van Maastricht, en door verwijzingen naar zijn langdurige militaire inzet in de tropen. Een greep uit zijn brieven:
-
1 december 1855: “...wegens de ongehoorde duurte der levensmiddelen en de naderende winter hem niets anders dan kommer en ellende voorspelt…”
-
26 december 1855: “...ik ben een der ongelukkigsten die zijn leven en gezondheid voor vorst en vaderland heeft opgeofferd…”
-
26 maart 1859: “...zoo blijft hem niets over dan den bedelstaf ter hulp te roepen…”
-
28 juni 1865: “...wendende met vurige bede het Zijne Majesteit behagen moge…”
-
15 oktober 1869: “...door een tweede aanval van beroerte... volkomen geworden, en is hij mismaakt, gebrekkig, hulpeloos…”
Elke brief werd echter afgewezen. Het ministerie van Koloniën oordeelde consequent dat zijn aandoening weliswaar tijdens, maar niet door de dienst was ontstaan. Daarmee verviel elke aanspraak op structurele ondersteuning. Bovendien had hij al een eenmalige gratificatie van ƒ108,- ontvangen bij zijn ontslag — dat moest genoeg zijn.
Zijn verzoeken kwamen telkens retour via de burgemeester van Maastricht. Geen erkenning, geen pensioen, geen verlichting. Wat resteerde, was armoede, afhankelijkheid en het bittere gevoel vergeten te zijn door het land waarvoor hij zich jarenlang had ingezet.
Toch gaf Wilhelmus niet op. Zijn laatste geschreven brief stamt uit februari 1871, zestien jaar na zijn ontslag. Nog altijd hoopte hij op een laatste gunst van de koning — opdat zijn inzet niet helemaal voor niets was geweest.
Helaas was het schrijven tevergeefs.






