top of page

Oorsprong

In de archieven van de schepenbank van Elsloo bevinden zich twee zéér slecht leesbare Franstalige akten uit 1667. Op het eerste gezicht lijken het gewone volmachten, maar voor dit onderzoek vormen zij een belangrijk keerpunt.

Op 23 juli 1667 en opnieuw op 12 december 1667 verschijnen namelijk de vijf broers Joannes, Jacques, Michael, Alexander en Lambertus Clermont voor de schepenen van de vrije heerlijkheid Elsloo.

 

Zij machtigen gezamenlijk een procureur, N. Quoitbach om hen te vertegenwoordigen in rechtszaken voor het Hooggerechtshof van het Hertogdom Limburg (destijds gevestigd aan de andere zijde van de Maas, in het huidige België) en indien nodig, ook voor andere rechtbanken.

Opvallend is dat de broers niet afzonderlijk optreden, maar als één familie. De afwezige broers worden door de aanwezigen vertegenwoordigd en alle vijf verbinden zij hun gezamenlijke roerende en onroerende goederen aan de uitkomst van de procedures. Dat wijst erop dat de zaak aanzienlijk groter was dan een plaatselijk geschil.

De akten zelf vermelden nauwelijks waarover de rechtszaken gingen. Alleen in de tweede volmacht wordt een zekere Jean Sandt als tegenpartij genoemd. Voor de rest blijven de inhoud en achtergrond van het conflict onduidelijk.

Al deze informatie maakte me nieuwsgierig. In wat voor zaak waren ze beland? Wat was zo belangrijk dat de broers gezamenlijk een procureur aanstelden voor het hoogste gerechtshof van het Hertogdom Limburg?​

Bij verder onderzoek doken nog twee oudere akten op, eveneens in de schepenbank van Elsloo. Deze bleken de eerder gevonden volmachten in een geheel nieuw daglicht te plaatsen.

Op 29 oktober 1665 treden de vijf broers namelijk ook gezamenlijk op. Ditmaal machtigden zij niet N. Quoitbach, maar Matthijs Hannot als hun procureur. Dus in 1667 werd van procureur gewisseld of er werd een procureur er bij gehaald.

Uit deze akte blijkt voor het eerst dat de procedures niet alleen voor het Hooggerechtshof van het Hertogdom Limburg dienden, maar óók voor het gerecht te Clermont in het huidige België.

Nog belangrijker is dat de broers zich hierin expliciet omschrijven als de erfgenamen van wijlen Nicolaus Clermont en Jehenne Jacque Simardt. Daarmee wordt duidelijk dat beide ouders op dat moment reeds waren overleden. In combinatie met eerdere bronnen kan hun overlijden worden geplaatst tussen 1661 en oktober 1665.

Een derde akte, gedateerd 8 januari 1666, levert opnieuw nieuwe informatie op. Alexander Clermont verklaart

daarin dat hij na het overlijden van zijn ouders nog verschillende schulden moesten worden voldaan, zowel aan

de heer van Elsloo als in Maastricht en elders. Daarnaast spreekt hij expliciet over de kosten van lopende

processen in het land van Limburg.

Uit dezelfde akte blijkt dat broer Jacques Clermont deze procedures grotendeels voor de familie voerde en

inmiddels al aanzienlijke bedragen had voorgeschoten. Om hem daarvoor zekerheid te bieden, stelde Alexander

zijn aandeel in de ouderlijke nalatenschap als onderpand.

 

Samen laten deze akten zien dat de rechtszaken rechtstreeks verband hielden met de nalatenschap van de ouders en dat de procedures al vóór 1667 in volle gang waren. Opvallend is bovendien dat de broers zich borg stelden met hun huidige en toekomstige bezittingen, niet alleen te Elsloo, maar ook in de bank van Clermont.

Daarmee ontstaat een duidelijke aanwijzing dat de familie nog bezittingen had buiten de huidige landsgrenzen.

De vragen werden daarmee eerder groter dan kleiner.  Waarom werden de procedures daar gevoerd? En welke bezittingen hadden de broers daar nog?

Om die vragen te beantwoorden, moest het onderzoek worden voortgezet in de archieven aan de andere zijde van de Maas.

Dat bleek uiteindelijk de sleutel tot de oorsprong van de familie.

Met de volmachten uit Elsloo als uitgangspunt werd het onderzoek voortgezet in de archieven van het voormalige Hertogdom Limburg, tegenwoordig bewaard in het Rijksarchief te Luik. De verwachting was dat de rechtszaken daar terug te vinden zouden zijn.

Dat bleek echter veel moeilijker dan gedacht. De naam Clermont kwam in de geraadpleegde procesdossiers helemaal niet voor. Wel doken steeds opnieuw bekende namen veelvuldig op, zoals de procureurs Matthijs Hannot en N. Quoitbach, evenals de naam Jean Sand(t).

Omdat deze personen ook in tal van andere procedures voorkwamen, leverden zij aanvankelijk geen bruikbare aanknopingspunten op.

 

Pas na langdurig zoeken werd uiteindelijk een processtuk gevonden waarin verschillende bekende namen samenkwamen. De procureur Quoitbach trad opnieuw op tegenover Jean Sand(t), precies zoals in de volmachten uit Elsloo.

Nog belangrijker was de inhoud van het stuk. Het verwees naar een borgstelling die eerder voor de schepenbank van Elsloo was verleden, ondertekend door secretaris Fredericq Huberti.

Juist Huberti was ook degene die de volmachten uit 1667 had geregistreerd. Daarmee ontstond voor het eerst een directe verbinding tussen de archieven van Elsloo en de dossiers van het Hooggerechtshof van het Hertogdom Limburg.

Er kon nauwelijks nog twijfel over bestaan dat dit dezelfde rechtszaak betrof.

Maar gelijk hierbij deed zich een nieuwe verrassing voor. De eisers werden in het Luikse dossier niet aangeduid als de gebroeders Clermont, maar als les héritiers Cloes Bon Jean – de erfgenamen van Cloes Bon Jean.

De verwijzing vanuit het Hooggerechtshof van het Hertogdom Limburg naar de schepenbank van Elsloo maakte duidelijk dat beide archieven betrekking hadden op dezelfde procedure.

In de Elsloose archieven komen dezelfde vijf broers uitsluitend voor onder de naam Clermont, terwijl zij in de procedure waarvoor zij juist gezamenlijk een procureur hadden aangesteld, ineens als erfgenamen van Cloes Bon Jean worden aangeduid.

Was sprake van een vergissing? Een bijnaam? Of ging het om een andere familie?

Die vraag vormde het begin van een nieuw onderzoek.

Nu kon gerichter worden gezocht op de naam Bon Jean. Dat leverde al snel nieuwe aanwijzingen op.

De eerste werd gevonden in Wyck, de voorstad van Maastricht aan de oostzijde van de Maas. Hier blijkt vanaf 1626 een man voor te komen die in verschillende bronnen onder verschillende namen wordt vermeld.

In de Maastrichtse burgerboeken wordt hij ingeschreven als Gillis Bonjan, afkomstig uit Clermont. In het parochieregister van de Sint-Martinuskerk verschijnt dezelfde persoon als Egidius Clermonts.

En in de gichtregisters van de schepenbank van Clermont wordt hij zelfs aangeduid als Gilles Clous Bonjean de Clermont –  letterlijk: Gilles, zoon van Claes (Nicolaus) Bonjean, genoemd van Clermont.

Voor het eerst komen daarmee de namen Bonjean en Clermont bij één en dezelfde persoon samen.

Dat maakt duidelijk dat Clermont in deze periode nog geen vaste familienaam was, maar naast de oorspronkelijke naam Bonjean werd gebruikt.  
 

Een tweede bevestiging volgde vrij snel.

Op 14 oktober 1682 verscheen voor de schepenbank van Elsloo Maria Bourguignon, weduwe van wijlen Joannes Clermont, samen met haar dochter Anna.

Zij verleende haar zwager Lambertus Clermont een uitgebreide volmacht om namens haar de reeds lopende procedure voor de justitie van Clermont voort te zetten. Daarbij wordt uitdrukkelijk vermeld dat het geschil betrekking had op goederen die in Clermont waren gelegen.

Die verwijzing leidde opnieuw naar de archieven van Clermont-sur-Berwinne.

Daar werd inderdaad een vonnis uit december 1682 teruggevonden. In dat vonnis treedt Lambert Bon Jean op als vertegenwoordiger van de weduwe en kinderen van wijlen Jan Clermont. Bovendien blijkt uit hetzelfde vonnis dat de procedure oorspronkelijk was aangespannen door de erfgenamen van wijlen Cloes Bonjean.

Hier komen opnieuw beide familienamen naast elkaar voor. De weduwe en kinderen worden aangeduid als Clermont, terwijl Lambert in dezelfde procedure verschijnt onder de naam Bon Jean.

Deze tweede koppeling bevestigt daarmee niet alleen dat de procedures in Elsloo en Clermont rechtstreeks met elkaar verbonden waren, maar ook dat Bon Jean en Clermont binnen dezelfde familie naast elkaar werden gebruikt.

Er volgde een zoektocht tussen documenten in de archieven van Maastricht en Luik. Elsloo - Clermont - Froidthier en dan komt er een archiefstuk boven water opgesteld door de Maastrichtse notaris Lambertus Natalis. Opgesteld tien dagen voor het volmacht in Elsloo

Maandag 19 oktober 1665, Maastricht

Vandaag verschenen voor mij notaris ondergeschreven, residerende in de stad Maastricht en voor de getuigen hieronder vernoemd, de eerbare Nicolas de Clermont, burger van Maastricht, Jacques de Clermont, Jean de Clermont, Michiel, Alexandre en Lambert de Clermont, wonende te Elsloo, dewelke volmacht en toestemming gegeven hebben zoals ze met deze akte doen aan de persoon van Matthijs Hannot, procureur te Clermont, om in hun naam en vanwege hen te verschijnen in Clermont, land van Limburg, in de rechtbank en daarbuiten, om hun rechten na te gaan en te behouden inzake hun goederen, cijnzen en renten, dewelke hun toebehoren te Froidthier, bank van Clermont, alsook elders.

Ze geven hem daarenboven de macht om degene die hen iets schuldig zijn te doen betalen, hen daarvan rekenschap te geven, degene die in gebreke blijven dwingen te betalen door inbeslagname en van rechtswege, zoals hij dat nodig acht, alsook hen te betalen die zijzelf verplicht zijn te betalen. De voorwaarde is dat de gevolmachtigde rekenschap geeft ten aanzien van de volmachtgevers en zijn rekening indient.

 

Alzoo gedaan en opgesteld te Wijck in de stad van Maastricht in de aanwezigheid van Mathijs Vrancken en Lambert Henrici, getuigen hiertoe geroepen en verzocht, dewelke de minuut en akte tezamen met de volmachtgevers getekend hebben.

Hetgeen ik getuig, Lambertus Natalis, 1665.

[handtekeningen]

Jacques de Clermont zich sterk makende voor Alexander en Michiel de Clermont

Het teken van

Jean de Clermont

Lambert de Clermont

Matthies Vrancken

Lambertus Henrici

Mooi. Handtekening er bij. Super vondst.

En hét bewijs van de connectie tussen de familie Clermont uit Wyck Maastricht en de familie Clermont uit Elsloo.
En een link met Wyck. Klik hier om daar meer over te lezen.

bottom of page